Tuatha Dé Danann

De verhalen van het Ierse mythologische volk Tuatha dé Danann, ("Túath van de godin Danu") worden beschreven in Lebor Gabála Érenn uit de 12e eeuw. Er zijn veel verhalen die draaien rondom dit volk, hun moeder Danu en haar afstammelingen.
Er is niet veel bekend van de Tuatha dé Danann voordat ze Ierland binnenvallen, behalve dat ze uit vier steden uit het noorden kwamen — Falias, Glorias, Murias en Finias — alwaar ze hun magische krachten en attributen hadden vervaardigd.
In de verhalencyclus zijn ze de op een-na-laatste bewoners van Ierland, ze kwamen na de Fomóiri en de Fir Bolg maar werden op hun beurt verslagen door de zonen van Míl van Spanje, of ook wel de Gael.
Over de invasie van het eiland zijn twee versies bekend: de ene vertelt dat ze van de Atlantische Oceaan op wolken het land binnenkwamen, de andere (uit het boek van Invasies) dat ze als geesten het land binnenkwamen. Er wordt een aantal slagen geleverd tegen de lokale bevolking, maar Tuatha dé Danann overwint, en neemt het land in.
Ze hadden vier magische voorwerpen:
De Ketel van Dagda
De Speer van Lugh
De Steen van Fal
Het Zwaard van Nuada
Nadat ze zelf later verslagen worden door de zonen van Míl Espáine wordt er gezegd dat het volk zich in de heuvels heeft terug getrokken, en nu leeft als de sidhe. ( Daoine sídhe is de Ierse naam van wezens uit de Keltische mythologie die in vertaling vaak feëen, elfen of goden genoemd worden. Ze zouden afkomstig zijn uit een bovennatuurlijke wereld die onder andere te bereiken zou zijn via de zogenaamde elvenheuvels (Oud-Iers: síd)).
De Kelten zagen dit volk als 'een ander soort mensen', niet zo zeer 'hoger' of 'beter' dan zijzelf, maar meer als figuren die dingen konden doen die ze zelf niet konden. Zo was dit volk ook niet onsterfelijk, maar stond bijvoorbeeld wel in contact met de zielen van de doden en de geesten van de natuur.
Elke god had zijn eigen bijzondere vaardigheden, en vaak werd de naam als synoniem gebruikt voor de vaardigheid. Zo is de vertaling van de naam van dit volk ook wel 'het volk van kunstenaars' of 'het volk van vakmanschap' omdat Danu wordt geassocieerd met kunst en kunde. Deze naam past ook beter omdat in de verhalen Tuatha dé Danann worden geschetst als 'de gewone mens', in tegenstelling tot de rijke bevolking van die tijd.